Bevolkingsgroep groeide, aantal verslaafden halveerde

Van een onzer verslaggevers UTRECHT – Hoewel het aantal Molukkers in Nederland sinds 1982 groeide van 32 000 tot 47 000 is het aantal drugsverslaafden in die groep tegelijk gehalveerd van 1 800 tot 900.

Opvallend, voor wie daar de gegevens van andere buitenlandse groepen naast legt. Er zijn in die periode zowel meer Surinaamse als Antilliaanse als Marokkaanse en Turkse harddrugsverslaafden gekomen. Het Molukse model zou voor deze groepen bruikbaar kunnen zijn.

Directeur Jan Lawalata van Tjandu, het landelijk steunpunt Molukse verslavingszorg, bereidt dan ook een expertisecentrum voor verslavingszorg onder andere groepen allochtonen voor. Voor de zomer ligt er een concreet plan en er zijn contacten met Turkse en Marokkaanse groepen.

Lawalata schrijft het succes toe aan de Molukse aanpak. “Molukse verslaafden lopen niet zo hard naar het CAD. De Molukse jongere mist er de speciale aandacht voor zijn problemen. Als zo iemand in Amsterdam, de grootste Molukse stad, aan de harddrugs raakt en daar problemen krijgt, is het meestal de familie die alarm slaat. Die weet niet wat te doen en klopt bij ons aan,” zegt Lawalata. “Wij weten dat bij het straathoekwerk in Amsterdam een paar Molukkers werken. We proberen zo’n werker naar de Molukse verslaafde te leiden. Zij geven iemand in overweging naar de Molukse woonwijk terug te gaan. Maar als de drugsverslaafde in de stad wil blijven, wordt de kerk in Amsterdam op de hoogte gesteld. Dominee Mustanu doet wat hij kan.”

“Wil iemand afkicken dan is er in Leusden een ontwenningscentrum, waar een speciale ontwenningsmethode voor Molukkers wordt toegepast. Tjakeku is afgeleid van tjarikekuatan en staat voor het zoeken van de eigen kracht. In Leusden wordt de verslaafde gevraagd wat zijn sterke kanten waren voor zijn verslaving. Iemand wordt lichamelijk en geestelijk sterk gemaakt. De familie wordt erbij betrokken. Voor 45 procent van de deelnemers heeft de behandeling succes. Er is, net als elders, een terugval, maar die is in Leusden maar 35 procent. Ook dat is gunstiger dan de meest toegepaste methodieken kunnen tonen. Het komt door onze brede aanpak. Zo zoeken we ook werk voor de ex-verslaafde.”

Behalve de drugshulpverleners worden er ook instellingen als de schoolbegeleidingsdienst, samenlevingsopbouw, kerk, arbeidsbureau en maatschappelijk werk bij betrokken. ‘Jullie zijn medeverantwoordelijk voor preventie en de opvang van kinderen,’ is Lawalata’s thema. “Daar hamer ik aldoor op.”

Hijzelf komt uit het kerkelijk opbouwwerk en was 20 jaar geleden mede-oprichter van Tjandu. “Toen waren er 18 plaatselijke drugsprojecten, die werkten volgens de Molukse zelfhulpgedachte. Stuk voor stuk zijn ze weggesaneerd. Er is er één over. Toch blijf ik er voor de verslavingszorg in te kaderen in de Molukse samenleving. Het betekent naast aandacht voor de eigen cultuur recht doen aan de situatie hier. We proberen de eigen organisaties mede-verantwoordelijk te maken voor iemand in de problemen. Er zijn in het land tientallen kampong-verenigingen. Die zijn belangrijk bij de preventie. Aan iemands naam kunnen wij horen uit welk dorp hij komt. Als er een kampong-vereniging is, trachten we die de zorg voor een jongere uit die groep over te laten nemen. Dan wordt die geholpen zijn roots bloot te leggen. Dat werkt goed. Het helpt een jongere tot een gelijkwaardige relatie met Nederlanders te komen.”

De drugsexplosie onder Molukkers volgde op de treinkaping en de gijzelingsacties van de jaren ’70. Volgens Lawalata is er een verband. “De actievoerders waren geen drugsgebruikers, maar na de acties volgde repressie van de Molukse jongeren, die hier hun weg moesten zien te vinden, terwijl hun ouders hen niet konden helpen. Er was weinig perspectief op werk, ook al doordat velen hun school niet afmaakten.”

“Ze waren teleurgesteld in de eigen leiders. De leiding van de RMS had toen wel kritiek op de acties, maar gaf geen analyse van de oorzaak waardoor jongeren tot agressie kwamen. Zoals het moeizame leven in twee culturen en de discriminatie. Uit frustratie zochten veel jongeren hun heil in drugs. De ouders hadden dat niet in de gaten. In Groningen trokken ze naar Het Viaduct, een jongerencentrum waar heroïne was. De ouders merkten pas dat er iets aan de hand was, nadat jongeren thuis kwamen om te shoppen. De ouders meenden eerst dat het kwam door geldgebrek. Op drugs rustte een taboe: men sprak er niet over.”

“Tot het aan de interkerkelijke werkgroep Iccan duidelijk werd hoe omvangrijk het drugsprobleem onder Molukse jongeren was geworden. Door bemiddeling van het Iccan kwam er subsidie voor hulp aan de Molukse drugsverslaafden.

De cijfers die Lawalata over 1998 geeft (900 drugsverslaafden op 47 000 Molukkers, één op de 52) is een schatting. “Vijf jaar geleden hebben wij onderzoek gedaan dat betrouwbare getallen opleverde. Wij wilden een nieuw onderzoek. Maar de ton die nodig was, werd niet beschikbaar gesteld, terwijl een drugsverslaafde 25 000 gulden per jaar kost. Wij denken dat het met de harddrugs sterk is verbeterd, maar over softdrugs en het gebruik van xtc onder Molukse jongeren weten we weinig. We vrezen het ergste. Er is een toename van drugsgerelateerde criminaliteit en ook onze jongeren gaan naar de disco.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *