Ik had twee vaders: een lieve en een agressieve

Opgroeien in Kamp Almere, het ’tijdelijke’ thuis voor Molukkers in Huizen; Johnny Manuhutu vertelt over zijn getraumatiseerde ouders.

HUIZEN

70 jaar Molukkers in Nederland. Het hele jaar wordt hier op tal van plekken bij stilgestaan. Zaterdag gebeurt dit in de bibliotheek in Huizen. Een van de sprekers is Johnny Manuhutu, die als tweejarige in 1951 met zijn ouders en zussen in Woonoord Almere in Huizen terechtkomt. Later wordt hij bekend met zijn band Massada. Hij vertelt het verhaal van zijn ouders.

Over vroeger heeft Johnny Manuhutu (73) – oprichter van de Molukse band Massada – niet veel gepraat met zijn ouders – Hermanus Pieter Manuhutu en Hobertina Sihasale. Niet over hun oorlogsverleden in Nederlands-Indië, niet over de aankomst in het koude Nederland in het voorjaar van 1951 en niet over de jaren in Woonoord Almere, in de bossen bij Huizen. ,,Nee, dat was geen gespreksonderwerp. Zeker voor mijn vader niet. En met mijn moeder heb ik het er hooguit een half uur over gehad in mijn hele leven. Bijna alles wat ik weet heb ik uit de tweede hand, gehoord van mijn zus en van een tante.’’

Hoe oud was u toen u naar Nederland kwam?

,,Ik ben geboren in 1948 in een militaire kazerne in Ciribon op West-Java. Hier was mijn vader vanaf 1945 gestationeerd. Hij was zo blij dat hij na een dochter eindelijk een zoon had gekregen dat hij kanonschoten heeft afgevuurd. Tweeënhalf jaar later op 21 februari 1951 zijn wij vanuit Soerabaja met het schip de Kota Inten naar Nederland gevaren. Mijn vader had geen keus. Hij had altijd voor Nederland gevochten als KNIL-militair. Overstappen naar het Indonesische leger was geen optie, hij zou worden vermoord. Dat gold voor bijna alle Ambonese KNIL-militairen. Na overleg besloot de Nederlandse overheid hen op dienstbevel tijdelijk naar Nederland te verschepen. Vlak voordat we vertrokken had mijn moeder een meisje geadopteerd. Zij is opgenomen in ons gezin. Dus toen we 

aan boord gingen waren we met z’n vijven: vader, moeder, mijn oudste zus Nonna en stiefzusje Henny en ik. Ik weet wel dat mijn moeder de hele reis – vier, vijf weken – ziek was. Zeeziek waarschijnlijk. En totaal van slag. Ze was nog nooit op reis geweest en dan ineens zo ver weg. Mijn vader werd aangesteld om op het schip te handhaven. Zodoende is het hem gelukt om een groot aantal verstekelingen aan boord te smokkelen. Daar waren bijvoorbeeld vrouwen bij die hun mannen in de oorlog hadden verloren en niet mee mochten naar Nederland, maar ook burgers en oud-politiemensen, die hun leven niet zeker waren als zij zouden blijven. Die mensen zijn hem hun leven lang dankbaar geweest.

Op 21 maart 1951 komt het gezin aan in Rotterdam. Hoe was dat?

Het was koud en winderig. Op oude foto’s en films zie je dat onze moeders nog dunne sarongs droegen. Totaal niet geschikt voor het Hollandse weer. Vanuit Rotterdam werden wij met bussen naar kamp Amersfoort gereden. Daar kregen wij eten en warme kleding. Vervolgens zijn alle Molukkers in groepen verdeeld, en verspreid over Nederland gehuisvest. Wij gingen wonen in Woonoord Almere, een kamp waar vanaf 1945 kinderen van NSB’ers werden opgevangen. Het was helemaal omheind met ijzerdraad en afgesloten met een slagboom. In het kamp waren zo’n twaalf barakken, er was een groot plein in het midden, een gemeenschappelijke bad- doucheruimte en een gaarkeuken. In een van de barakken werd een kerk en de kamp-kantine gesitueerd. Ieder gezin kreeg een woonkamer en een slaapkamer. De kamers waren klein, hooguit vijf bij drie meter. Er stonden ijzeren britsen met stromatrassen en de wandjes waren dun. Onze ouders werden echt als tweederangsburgers weggezet. Weggestopt. Mijn ouders accepteerden de slechte behuizing waarschijnlijk omdat ze dachten dat ze snel terug zouden keren naar Ambon. De koffers stonden klaar voor de reis, opgestapeld in de gang. Jarenlang.’’

Wat herinnert u zich van het leven in Kamp Almere?

,,Het was een grandioze omgeving voor ons als kinderen. Het lag midden in het bos, je kon overal spelen, hutten maken en we waren met al die families bij elkaar. We zagen als klein kind niet de enorme teleurstellingen en de trauma’s van onze ouders. Mijn zus en ik gingen naar school in het dorp. Toen bij mijn vader het besef kwam dat we niet snel zouden terugkeren, stimuleerde hij ons om de Nederlandse gewoonten goed te leren kennen. Dus verbleven we veel bij Huizer families. Mijn zus Nonna en ik waren vaak bij de familie Teeuwisen, de melkboer, die vlakbij de Wilhelminaschool woonde. Soms wel een hele week. We aten stamppot met jus. Heerlijk! We hadden een goede band met die gezinnen. Mijn jongste broertje Eppie is zelfs vernoemd naar opa Elbert Bunschoten. Zo grappig. Welke Molukker heet er nou Eppie. Nou mijn broer dus.’’

Hoe was uw relatie met uw vader en moeder?

,,Ondanks alles wat zij had meegemaakt was mijn moeder een ontzettend lieve vrouw. Ze zorgde voor iedereen. Vroeger, in haar geboortedorp had ze een koffiehuis. Ze maakte de lekkerste spekkoek, cakes en zoete broodjes. Later, in Nederland, toen we ouder werden en we soms midden in de nacht na een optreden met alle muzikanten en roadies thuis kwamen, stond ze op en ging ze voor ons koken. Fantastisch. Ze was ijzersterk, zoals zoveel vrouwen die waren meegekomen vanuit Indonesië. Mijn vader is een ander verhaal. Eigenlijk had ik twee vaders. Eén die lief, heel familiair en ondernemend was, en alles deed voor het gezin. Maar er was ook een andere vader. Als hij in zijn slechte periode zat, was hij onredelijk en agressief en nam hij die oorlog met zich mee. Letterlijk. Daar kregen wij als kinderen behoorlijk mee te maken. Ik heb hem soms echt gehaat. Weet je, die mensen kregen nooit hulp, nazorg of enig begeleiding bij het verwerken van hun oorlogstrauma’s. Kijk, ik heb mijn kinderen nooit een draai om hun oren gegeven. Maar hij… Het ging fout als hij had gedronken. Dan was het duidelijk dat hij was getraumatiseerd. Voordat we naar Nederland vertrokken was hij een trotse, trouwe KNIL-militair, had hij een korporaal status, soldij en werd hij gewaardeerd. Dat is hem, net als alle andere Molukkers, allemaal afgenomen.’’

Hoe zag zijn leven er uit?

Eenmaal in Kamp Almere kregen de mensen een soort uitkering, per gezin 3 gulden per week en per kind 2 gulden. Daarbij werden kledingbonnen verstrekt. Ruim vijf jaar lang werd hen verboden te werken. Stel je voor; een jonge vent, 25 jaar en vader van drie kleine kinderen. Later kwamen er nog twee zoons bij: Eppie en Jopie. Toch bleef hij ondernemend, zoals hij altijd was geweest. Vroeger in zijn dorp Haria op Saparua werkte hij op zijn ‘dusun’, de ananas- en kruidnagelplantage van de familie. In het leger knipte hij het haar van zijn KNIL-maten en was hulppredikant. Hij rookte en dronk in die tijd niet, dus zijn rantsoen verkocht hij aan zijn medesoldaten en hij spaarde alles op. In Kamp Almere begon hij al snel met het houden van varkens en kippen. Dat leverde geld op en kon hij uiteindelijk hier in Nederland iets opbouwen, zelfs een auto kopen. In 1957 heeft hij samen met vishandelaar Van As uit Huizen een visvergunning gehaald. Omdat hij zijn papieren had kon hij naar de visafslag in IJmuiden om vis in te kopen. Hij was de eerste Molukker die vis ging venten in bijna alle woonoorden door heel Nederland.’’

U bent uiteindelijk muzikant geworden, en zeer succesvol met de band Massada.

,,Wij waren als jonge jongens geen lieverdjes. Thuis was de situatie onhoudbaar, dus zochten we een uitweg en ging ik met vrienden op pad. Ik schat dat 60 tot 70 procent van de tweede generatie Molukkers aan de drugs is geraakt. Ik zag mijn vrienden voor dood op straat liggen, anderen bedelden. Overdosis en zelfmoordpogingen kwam regelmatig voor. Echt verschrikkelijk. Ik wist een ding: dit wil ik niet. Op de Zeedijk in Amsterdam was veel criminaliteit en drugs. Maar er was ook goede muziek. En dát greep me. Muziek werd mijn uitweg, mijn redding. Muziek is mijn levenswerk geworden. En, heel belangrijk, muziek verbindt. We hebben van begin af aan voor een breed publiek willen spelen, dus niet alleen maar voor Molukkers. Precies in de tijd van de treinkapingen – eind jaren zeventig – kwamen wij op, hadden we onze grootste successen. Toch waren er burgemeesters en clubs die bang waren voor escalaties en niet wilden dat wij in hun dorp of stad kwamen spelen. Dat was soms moeilijk.’’

Koning Willem-Alexander heeft in 2020 excuses aangeboden aan de Indonesische regering. De Molukkers werden niet genoemd. Wat vindt u daarvan?

,,Die excuses zullen de economische belangen versterken. Prima. Maar het steekt nog altijd dat er geen excuses zijn gemaakt voor de wijze waarop de Nederlandse regering is omgegaan met de Molukkers. Dat is enorm pijnlijk. Door de Molukkers niet te noemen, lijkt het kwaad enkel van een kant te komen, dus van de KNIL. Men gaat ook compleet voorbij aan de beruchte Bersiap-periode toen Indonesische nationalisten vele Nederlandse onderdanen hebben uitgemoord. Dus wachten de Molukkers op erkenning, en op het juiste excuus van de koning.’’

Bron : https://www.gooieneemlander.nl/cnt/dmf20211110_78942093

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.